Wim Deetman legt na elf jaar het burgemeesterschap van Den Haag neer. Zijn grootste succes? „Dat de stad aan de polariserende integratiediscussie is ontsnapt.”
Als minister van onderwijs had Wim Deetman altijd een reservepak in de dienstauto liggen. En wanneer hij een pak naar de stomerij bracht, luidde de vraag vanachter de toonbank steevast: „Is het met of zonder ei?”
In de ruim dertig jaar dat Deetman in het openbaar bestuur actief was, heeft hij het allemaal meegemaakt: demonstrerende studenten, die naakt duidelijk maakten dat ze zich financieel uitgekleed voelden, woede-uitbarstingen, scheldpartijen en bedreigingen. En zo af en toe een ei of tomaat naar zijn hoofd.
„Het hoort erbij”, zegt CDA’er Wim Deetman (62) in zijn werkkamer in het Haagse stadhuis. „Daarom is het nog niet aangenaam, begrijp me goed. Maar mensen gaan nu eenmaal wel eens door het lint, worden emotioneel. Daarin moet je je een beetje kunnen inleven. Mijn grootste zorg was te voorkomen dat mijn vrouw en kinderen er last van zouden hebben. Dat is niet altijd gelukt. Zo ben ik wel eens tijdens een vakantie met mijn gezin in het buitenland lastiggevallen. Maar over de details heb ik altijd willen zwijgen.”
Hoe vervelend sommige confrontaties ook waren, Deetman herinnert zich nog goed een bezoek aan de Antheunisstraat, november 2004, enkele dagen nadat die straat in het Haagse stadsdeel Laakkwartier wereldwijde bekendheid kreeg door de arrestatie van twee moslimterroristen. „Er waren geen journalisten bij. Mijn vrouw was mee. Een uit Turkije of Marokko afkomstige mevrouw met hoofddoek vertelde dat ze altijd met veel plezier in de wijk had gewoond, maar nu durfde ze niet meer over straat. Daarop stond een oudere, autochtone buurtbewoner op, die zei: ’Dát pikken we niet. Dat laten wij in onze wijk niet gebeuren’. Kijk, dan ben je aan het winnen.”
Zulke ervaringen droegen er aan bij dat Deetman het al die tropenjaren volhield. Maar speelde ook niet een beetje mee dat het verslavend kan werken, als je als bestuurder altijd aan de knoppen zit? „Nee, je moet het werk vooral leuk én interessant vinden. Ik heb de kans gekregen om het te doen. Er zijn tal van ontwikkelingen op mijn pad gekomen. En ik heb zo veel interessante mensen kunnen ontmoeten. Dát moet je boeien. En je moet het politieke debat leuk vinden, niet bang zijn om voor je standpunt uit te komen.”
Maar zelfs met leuk werk moet je een keer stoppen, legt Deetman uit. „Ik ben nu ruim 62 en ben op mijn 51ste burgemeester geworden. Sinds kort mogen burgemeesters doorgaan tot hun zeventigste. Den Haag is fantastisch. Maar achttien jaar burgemeester? Dat is te lang. Aan het einde van mijn derde termijn ben ik dan bijna zeventig. Als je ook nog andere dingen wilt doen, kun je niet blijven zeggen: ’Dat komt later wel’. En daarbij: je bent altijd misbaar.”
"Het werk bij de Raad van State is leuk, en eervol. Nu kan ik nog instappen, anders hoeft het niet meer. Ik ga me daar bezig houden met de advisering over wetgeving, en bij de afdeling rechtspraak met bestuursgeschillen. En in beide afdelingen sluit ik gewoon achteraan.”
Met zijn overgang sluit Deetman voor zijn gevoel de cirkel. Als jong medewerker van de Vereniging Besturenraad Protestants-Christelijk Onderwijs kwam hij al met enige regelmaat bij de Raad van State, zij het om namens zijn schoolbesturen te pleiten.
Deetman kent de speculaties dat hij in de markt zou zijn voor de opvolging van Herman Tjeenk Willink, de vice-president van de Raad van State, ook wel de Onderkoning van Nederland genoemd. Maar op de vraag daarnaar klinkt een zeer beslist ’nee’. „Ik kan het ook uitleggen”, zegt hij. „Tjeenk Willink is 65 en ik heb de stellige indruk dat hij gewoon door wil tot zijn zeventigste. Als ik op 1 januari bij de Raad van State begin, ben ik bijna 63.”
„Zelfs als ik de ambitie zou hebben, dan nog. Zo werkt het in de politiek niet. Je kunt niet zeggen: ik wil die functie. Maar ik heb de ambitie ook niet. Als ik op alle bougies wil blijven vonken, dan had ik burgemeester moeten blijven. Maar ik wil niet langer zeven dagen per week sjouwen. Ik ben met afbouwen bezig, dan moet je niet nog eens een colletje willen pakken. Dan maak je jezelf belachelijk.”
Dat afbouwen is nodig na 26 jaar in de frontlinie: een jaar staatssecretaris, zeven jaar minister, zeven jaar Tweede Kamervoorzitter en elf roerige jaren als burgemeester van Den Haag.
Daar was Deetman begin 1997 nog maar koud begonnen, toen de sfeer in de Schilderswijk explosief werd. Bij een woningbrand in de Frans Halsstraat was een Turks-Koerdische moeder met haar vijf kinderen omgekomen. Het vuur bleek aangestoken.
Op zo’n moment moet je de rust kunnen bewaren, vertelt hij. „De buurt zei: ’Hier zit extreemrechts achter!’ Er waren massale betogingen in de stad, dat kon finaal fout lopen. Ik weet nog dat ik op een zondag, toen Turken en Koerden op weg waren naar Den Haag, de hele stad op slot heb gegooid.” Van de speculaties over betrokkenheid van extreem-rechts of de Turks-nationalistische Grijze Wolven bleef twee maanden later niets over: een neef van het slachtoffer biechtte de brandstichting op.
Er waren meer kritieke, bepalende momenten. Op 6 mei 2002, direct nadat Pim Fortuyn was vermoord, stroomde het Plein vol woedende burgers. ’Melkert moordenaar!, riepen ze. De menigte werd agressief, een auto vloog in brand. Deetman realiseerde zich: ’Als we nu geen ruimte geven aan hun emoties, hebben we nog wekenlang trammelant’. Hij hield de Mobiele Eenheid afzijdig.
„Op zo’n beslismoment ben ik volstrekt onderkoeld”, zegt Deetman. „Ik treed dan als het ware even buiten mezelf.”
Zo’n cruciale beslissing nam hij ook op 6 december 1999. Deetman was vrij, zat thuis, toen de telefoon ging. De demonstratie van leerlingen tegen de werkdruk in het studiehuis liep volledig uit de hand, kreeg hij te horen. 20.000 kinderen trokken op van het Malieveld naar het Binnenhof. Er was amper begeleiding. Onderweg sneuvelden talloze ruiten. Parlementariërs kregen eieren en fruit naar het hoofd. De schade liep in de honderdduizenden guldens.
Ook hier besloot Deetman de Mobiele Eenheid heel lang aan de kant te houden. „Het kostte wat ramen”, zegt hij nu. „Maar de paniek bleef uit. Ik had een angstvisioen van terugtrekkende leerlingen, waarbij kinderen van vijftien, zestien jaar struikelen en over elkaar heen vallen. Later kwamen er briefjes van ouders: ’bedankt dat u zo heeft gehandeld’.”
Wim Deetman schetst graag het beeld van een krachtig bestuurder, die, vooral in tijden van crisis, de touwtjes strak in handen heeft. Maar dat is hem niet altijd gelukt. Aan die ’mooie ontmoeting met die vrouw met de hoofddoek’, destijds in november 2004 in het Laakkwartier, ging een ware nachtmerrie vooraf.
De week ervoor deed de Nationale Recherche een inval in een woning aan de Antheunisstraat. Daar verbleven op dat moment Jason W. en Ismail A, leden van de Hofstadgroep van wie werd gevreesd dat ze terreuraanslagen voorbereidden.
De leiding lag tijdens de inval bij de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD). Deetman was niet ingelicht en lag thuis te slapen. Bij de bestorming van het pand gooide één van de twee moslimextremisten een handgranaat: drie agenten raakten gewond.
De anders zo nuchtere Deetman ging deze keer zelf door het lint. De AIVD had de jongens al maanden daarvoor in een door de dienst geprepareerde woning gelokt en sindsdien afgeluisterd. Deetman wist van niets. De burgemeester, nu: „Als je verantwoordelijk bent voor de openbare orde en veiligheid in je stad, dan wil je toch precies weten wat zich daar afspeelt.” Deetman was de regie even kwijt. „Ik kan er nog steeds kwaad om worden. Het was anders gelopen wanneer ik was ingelicht.”
Toen Deetman in 1996 aantrad, was Den Haag niet meer dan een ambtenarenstad met een fonkelnieuw, hagelwit stadhuis. Den Haag had smoel nodig, een eigen identiteit, vond Deetman. „Amsterdam had onder meer de grachten, Rotterdam de havens, Den Haag slechts het Binnenhof.”
Deetman zette zich persoonlijk in voor de profilering van zijn geboorteplaats als internationale stad van Vrede, Recht en Veiligheid. Gebruikmakend van de aanwezigheid van het Internationaal Hof van Justitie, het Joegoslavië Tribunaal en Europol haalde hij instellingen als het Internationaal Strafhof, de VN-organisatie tegen chemische wapens (OPCW) en Eurojust naar Den Haag. Het was jarenlang sleuren en trekken, alles voor de nieuwe identiteit.
Op 21 september dit jaar, de Internationale Dag van de Vrede, liepen 1350 Haagse schoolkinderen een vredesmars van het Vredespaleis naar het centrum. „De vicepresident van het Internationaal Hof van Justitie liep mee, samen met een bijna voltallig college van b. en w. Zoiets was tien jaar geleden ondenkbaar”, zegt Deetman.
„Iedereen, vooral mensen buiten Nederland, ziet Den Haag als dé stad van Vrede, Recht en Veiligheid. En, niet onbelangrijk: dat imago bindt Hagenaars.”
Pakt dat ook zo uit nu alle instellingen en de duizenden werknemers vooral in de betere wijken zijn gevestigd, ver van de armere wijken? „Ik begrijp de vraag”, zegt Deetman. „Maar we doen er alles aan om mensen uit de hele stad erbij te betrekken. Zo worden er festivals georganiseerd, die we laten samenvallen met internationale juridische congressen die hier worden gehouden. Natuurlijk, we zijn er nog niet. We moeten er zeker nog een jaar of tien voor knokken. Maar ik merk dat mensen overal in de stad, in Ypenburg, de Schilderswijk en Scheveningen, trots zijn op dit imago. Dat is van ons, zeggen ze.”
Laatst nam Deetman deel aan een maaltijd in het kader van de ramadan, de islamitische vastentijd. Ook daar werd gesproken over het internationale gezicht van Den Haag. Dat verbaast Deetman niet. „Een multiculturele stad ís een internationale stad.”
Waar hij het meest trots op is? „Den Haag is niet uit elkaar gegroeid. De stad heeft de afgelopen jaren weten te ontsnappen aan de polariserende discussies die zijn gevoerd over integratie.”“Verschrikkelijk!”, antwoordt hij op de vraag wat hij vindt van de wijze waarop in de landelijke politiek over dit onderwerp wordt gesproken. „Deze stad heeft altijd geprobeerd zich hiervan afzijdig te houden. Er gebeurden de afgelopen jaren vreselijke dingen: de ramp met de Twin Towers, de moord op Van Gogh. In Den Haag hebben we toen de rust weten te behouden. De samenhang bleef.”
„Kijk, er zal heus wel eens hier of daar een probleem zijn. Maar je moet vooral kijken naar de kansen. Mensen die van buitenaf hier zijn komen wonen, zijn gewoon Nederlanders. Kijk naar de Haagse Hogeschool, waar prima resultaten worden geboekt. Daar is bijna de helft van de studenten van niet-Nederlandse afkomst. Dat is de toekomstige Haagse elite. En als ik dan hoor dat iemand vanwege zijn naam een baan wordt geweigerd, word ik woest. Zo maak je de samenleving kapot.”
De kunst is, zegt Deetman, "om ervoor te zorgen dat bepaalde groepen niet uit elkaar groeien. „Daar heb ik al die jaren aan gewerkt. Ik was eens in een moskee waar de imam zich afvroeg: ’Moeten vrouwen wel werken?’. ’Ja’, antwoordde ik. ’Dat vinden wij in deze samenleving’. Maar, zei ik erbij, dat vinden we nog niet zo heel lang. Eigenlijk pas sinds de jaren tachtig. En voorzover wij dat toen zelf nog niet aanvaardden, heeft de toenmalige CDA-minister van sociale zaken Jan de Koning in heldere bewoordingen duidelijk gemaakt dat dat nodig was.”
- 1945 Geboren in Den Haag
- 1968-1978 Medewerker, en later directeur Vereniging Besturenraad Protestants-Christelijk Onderwijs in Nederland (VBPCO)
- 1974-1981 Gemeenteraadslid voor de CHU in Gouda
- 1978-1981 Tweede Kamerlid voor het CDA
- 1981-1982 Staatssecretaris van onderwijs in het kabinet Van Agt-Den Uyl
- 1982-1989 Minister van onderwijs in kabinetten Lubbers I en II
- 1989-1996 Voorzitter Tweede Kamer
- 1996-2007 Burgemeester Den Haag
- Vanaf 1 januari 2008 Lid Raad van State
Deetman bekleedt ruim twintig nevenfuncties. Vandaag neemt hij afscheid als voorzitter van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. Hij blijft wel voorzitter van de Stichting ter Bevordering van de Christelijke Pers, die ondermeer waakt over de identiteit van deze krant. Wim Deetman is gehuwd en heeft twee kinderen.
**
*
*