Welzijn failliet,
positie van Jetta Klijnsma hangt aan een zijden draad.
Nov. 2003
In Den Haag valt het
doek voor Stichting Ondernemend Welzijn (SOW). Het faillissement
van de stichting was een feit toen wethouder Jetta Klijnsma
(PvdA) de stekker eruit trok. Klijnsma had maanden onder vuur
gelegen. Ze zou de raad relevante informatie hebben onthouden en
had in september een motie van afkeuring van de hele oppositie
aan haar broek gekregen omdat ze de signalen van de financiële
ondergang van SOW niet zou hebben doorgegeven. De wethouder -
volgens D66-fractievoorzitter Robert van Lente ‘aangeschoten
wild’ - was vervolgens niet meer bereid het forse bedrag van
liefst 2,5 miljoen euro beschikbaar te stellen voor sanering van
de instelling.
Marc Udink, curator en
bewindvoerder van de failliete stichting, omschrijft het
faillissement als ‘een strafexpeditie die ontijdig was en
lijkt op paniekvoetbal’. Volgens Udink is het niet alleen de
wethouder te verwijten dat de gemeente laat wakker werd. ‘Ik
denk niet dat de raadsleden er veel van kunnen. De kwaliteit van
het politieke debat was belabberd. Het ging niet om de politieke
besluitvorming, maar om de vraag wat je wilt met welzijn.’
In zijn
faillissementsverslag constateert Udink dat de fusiepartners
waaruit SOW ontstond - Welzijnorganisatie Schilderswijk en
Welzijn Laak - elkaar niet versterkten, maar verzwakten. SOW
ging van start zonder noemenswaardig ‘weerstandsvermogen’ en
de overheadkosten namen alleen maar toe in plaats van dat ze
afnamen. De bedrijfsculturen waren voor de fusie niet op elkaar
afgestemd. Er was te veel management en te weinig uitvoering.
‘Er is geen bedrijf waar de planning bij wijze van spreken net
zoveel mensen heeft als de productie.'
De raad van toezicht en de
gemeente reageerden te laat op signalen van problemen, aldus de
curator. SOW was goedkoper dan aanpalende instellingen, maar had
te weinig inzicht in de kostprijs van zijn producten.
'Ondernemend Welzijn was er niet heel veel slechter aan toe dan
een aantal aanpalende instellingen,’ zegt Udink. ‘Het is
voor welzijnsstichtingen vrij gebruikelijk om op deze marginale
basis te functioneren. Toen ik vroeg wie wil deze toko wilde
overnemen, ging men rekenen, maar men wist niet wat men
berekende. Er is geen doorgedrongen besef om op kostprijs te
rekenen. In het ene zorggebied kan dezelfde dienst veel duurder
zijn dan in het andere en krijgt men dus meer subsidie. De
subsidiehoogte is afhankelijk van de interne kosten en niet van
de output.’
Ondernemend Welzijn is
volgens Udink een illustratie van wat hij noemt ‘de Paarse
vergissing’: organisaties werden verzelfstandigd om te
ondernemen, maar mochten de daad niet bij het woord voegen. 'De
overheid moet zich bij haar wensen dan ook laten leiden door de
randvoorwaarden van de ondernemer. Als deze het niet kan bieden
voor de beoogde prijs, dan ga je naar een ander. SOW was
goedkoper dan de aanpalende instelling, maar kreeg die opdracht
niet. Heel gek, dan schep je een klimaat van niet-ondernemen.
SOW kon er gewoon geen geld aan verdienen.´
Er bestond een
praatcultuur. Topmanagement, management, uitvoering, OR en
gemeente hielden elkaar gevangen, zonder dat besluiten werden
genomen en uitgevoerd.
Zelf zou Udink nooit
kiezen voor verzelfstandiging van welzijnsinstellingen.
‘Publieke missies moet je niet in handen van ondernemers
geven, of je moet het goed doen. Als je als overheid een vinger
in de pap wil houden, moet je de kosten voor staffuncties zelf
overnemen. Beperk je dan tot het ontwikkelen van een
kenniscentrum. Trek de financiële relatie en de beleidsmatige
relatie uit elkaar. Je moet de staf splitsen van de werkvloer.
Heel veel mensen op wijkniveau, die je goed begeleidt. Wat
duurder is, de stafdiensten, centreer je op gemeenteniveau en
daaronder zitten BV’s of stichtingen per wijk. Nu hebben we
per wijk een directeur en een managementteam. De gemeente Den
Haag telt alleen al zo'n zeventig welzijnsmanagers. Zeventig,
hahaha. Dat is decentralisatie.’