DenHaagTeKijk    Haagse Pand Brigade

Haagse Pand brigade

Norder verwijst naar de woningwet art. 100 a lid 2    

Hieronder de belangrijkste bepalingen waaraan de Pand brigade haar legitimiteit ontleent.
Blijft overeind dat alleen bij een redelijk vermoeden de burgemeester een machtiging tot binnentreding mag afgeven.

o        1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met IV zijn belast de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

o        2.De krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren zijn bevoegd met medeneming van de benodigde apparatuur een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner.

o        3.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het uitoefenen van toezicht op de naleving van de bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften.

Artikel 100c
1.
Burgemeester en wethouders maken jaarlijks hun voornemens bekend met betrekking tot de wijze waarop in het komende jaar uitvoering zal worden gegeven aan de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken I tot en met IV.

         Artikel 105a

o        1.Overtreding van artikel 14, vierde lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.

o        2.Het strafbare feit, bedoeld in het eerste lid, is een overtreding.

o        3.Met de opsporing van het bij het eerste lid strafbaar gestelde feit zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de door de burgemeester aangewezen ambtenaren, belast met de in artikel 100a, eerste lid, bedoelde taak.

o        4.Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

o        5.Bij het opsporen van het strafbare feit, bedoeld in het eerste lid, hebben de in het derde lid bedoelde ambtenaren toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

1.
De eigenaar van een bouwwerk, standplaats, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen draagt er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, die standplaats, dat open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

2.
Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voorschriften gegeven.